Mag de politie de vinger van een verdachte op een mobiele telefoon plaatsen of het toestel voor diens gezicht houden om toegang te krijgen tot de opgeslagen gegevens? Die vraag heeft assembleelid Kishan Ramsukul (VHP) vrijdag aan de orde gesteld tijdens de behandeling van de wijziging van het Wetboek van Strafvordering. Hij wil dat de wet duidelijk vastlegt wat opsporingsdiensten bij het ontgrendelen van telefoons wel en niet mogen doen.

Ramsukul reageerde op de bijdrage van VHP-fractieleider Asis Gajadien, die had gepleit voor bescherming van verdachten tegen het gedwongen bekendmaken van wachtwoorden en toegangscodes. Volgens Ramsukul maakt de voorgestelde regeling onderscheid tussen personen die technische kennis hebben van een beveiligd systeem en verdachten die niet verplicht mogen worden bepaalde informatie prijs te geven.

Maar bij moderne telefoons speelt volgens hem een aanvullende vraag: hoe moet worden omgegaan met biometrische beveiliging, zoals vingerafdrukken en gezichtsherkenning?

Verschil tussen wachtwoord en vingerafdruk
Ramsukul wees erop dat het bekendmaken van een wachtwoord iets anders is dan het gebruik van een lichamelijk kenmerk om een toestel te ontgrendelen. Hij verwees daarbij naar Nederlandse rechtspraak waarin onderscheid wordt gemaakt tussen informatie die iemand weet en kenmerken die onafhankelijk van diens wil bestaan. Volgens de parlementariër moet Suriname zelf een duidelijke keuze maken over de toepassing van deze methoden.

Wanneer de wet hierover zwijgt, kan volgens hem later discussie ontstaan over de rechtmatigheid van de ontgrendeling en de bruikbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal. Ramsukul vroeg daarom of expliciet in de wet moet worden opgenomen wanneer het gebruik van een vingerafdruk of gezichtsherkenning is toegestaan en onder welke voorwaarden dat mag gebeuren. Met die verduidelijking wil hij voorkomen dat opsporingsdiensten en rechters achteraf met uiteenlopende interpretaties van dezelfde wettelijke bepalingen worden geconfronteerd.