De Nationale Assemblée van Suriname heeft in een spoedvergadering een wijziging van de Wet op het Surinamerschap en het Ingezetenschap aangenomen. Deze wetsregeling moet het mogelijk maken dat personen van Surinaamse afkomst met een PSA-status de Surinaamse nationaliteit kunnen verkrijgen wanneer zij als topsporter bereid zijn voor Suriname uit te komen op het internationale topsportpodium.
Daarmee rijst een belangrijke juridische vraag voor Surinaamse topsporters met de Nederlandse nationaliteit. Hoe moet deze wijze van verkrijging worden beoordeeld vanuit de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en, voorzover relevant, de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname uit 1975?
Nationaliteit is geen sportwedstrijdlicentie. Zij bepaalt de juridische band tussen een persoon en een staat en brengt rechten en plichten met zich mee.
De Surinaamse regeling lijkt zo te zijn geconstrueerd dat de betrokken topsporter niet zelf een formeel naturalisatie- of optieverzoek behoeft in te dienen en niets hoeft te ondertekenen. Hij verkrijgt de Surinaamse nationaliteit van rechtswege wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en bereid is in de topsport voor Suriname te willen uitkomen. De vraag is of deze constructie naar Nederlands recht zonder meer betekent dat de betrokkene het Nederlanderschap behoudt.
Daarmee is nog niet zonder meer de vraag beantwoord of naar Nederlands nationaliteitsrecht sprake kan zijn van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, RWN.
Bij de beoordeling van vrijwillige verkrijging is van belang welke betekenis moet worden toegekend aan de wilsuiting van betrokkene die aan de verkrijging van het Surinamerschap voorafgaat. De bereidheid om in te gaan op het verzoek mee te dingen als topsporter onder de Surinaamse vlag. Juist daar doet zich bij de Surinaamse topsportregeling een bijzondere juridische situatie voor.
Een Nederlandse topsporter met Surinaamse roots verkrijgt de Surinaamse nationaliteit in principe niet volstrekt buiten zijn wil om. Hij zal eerst te kennen moeten geven dat hij bereid is Suriname internationaal als topsporter te willen vertegenwoordigen en zal moeten instemmen met de daarvoor geldende procedure. Indien die wilsuiting een noodzakelijke voorwaarde vormt voor het vervolgens van rechtswege verkrijgen van het Surinamerschap, rijst de vraag of juridisch werkelijk kan worden gesproken van een zuiver automatische, niet-vrijwillige nationaliteitsverkrijging.
Anders gezegd: kan een nationaliteitsverkrijging naar Nederlands recht als onvrijwillig worden aangemerkt, uitsluitend omdat de Surinaamse wet bepaalt dat de nationaliteit formeel van rechtswege wordt verkregen, wanneer die verkrijging alleen plaatsvindt nadat de betreffende topsporter bewust heeft besloten voor Suriname in de topsport uit te komen?
Rechtsvragen
1. Is bij een Nederlander die krachtens deze Surinaamse regeling van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkrijgt, voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, onder a, RWN uitsluitend de formele wijze van verkrijging naar Surinaams recht bepalend, of moet tevens de daaraan voorafgaande wilsuiting van betrokkene bij de beoordeling worden betrokken?
2. Indien een Nederlandse topsporter met Surinaamse roots uitdrukkelijk te kennen geeft Suriname internationaal te willen vertegenwoordigen en deze wilsuiting een noodzakelijke voorwaarde vormt voor het vervolgens van rechtswege verkrijgen van het Surinamerschap, kan deze verkrijging dan naar Nederlands recht worden aangemerkt als een vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit in de zin van artikel 15, eerste lid, onder a, RWN?
3. Indien in de hiervoor beschreven situatie sprake is van vrijwillige verkrijging in de zin van artikel 15 RWN, leidt deze verkrijging dan in beginsel tot verlies van het Nederlanderschap, behoudens toepasselijkheid van een van de wettelijke uitzonderingen op deze verliesgrond?4. Hoe verhoudt de nieuwe Surinaamse regeling zich tot de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname uit 1975?
De sportwereld in Suriname gaat een spannende tijd tegemoet. Deze vragen zijn niet slechts van theoretisch-juridische betekenis. Voor Nederlandse topsporters met Surinaamse roots moet vooraf duidelijk zijn welke nationaliteitsrechtelijke gevolgen verbonden kunnen zijn aan hun keuze om Suriname internationaal te vertegenwoordigen in de topsport. Het zou onwenselijk zijn wanneer daarover pas duidelijkheid ontstaat nadat een sporter de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen.
Zolang op deze rechtsvragen geen samenhangend en juridisch overtuigend antwoord is gegeven, blijft de waarschuwing uit mijn artikel van 2014 actueel: laat nationaliteit niet opnieuw een politieke speelbal worden.
Headly R. Binderhagel