De kantonrechter heeft het onderzoek in een drugszaak tegen de 26-jarige casinomedewerker D.C. behandeld. De verdachte wordt ervan beschuldigd betrokken te zijn geweest bij de uitvoer van cocaïne via postpakketten die vanuit Suriname naar Nederland zouden worden verzonden.
Volgens het Openbaar Ministerie heeft de verdachte zich vorig jaar samen met een man genaamd M.B. schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet Verdovende Middelen. Uit het onderzoek bleek dat bij controles van postpakketten bij verzendbedrijf Paramaribo Int’l Cargo Office pakketten werden onderschept waarin cocaïne was verstopt. Het ging om pakketten met het opschrift “Havan Samagri”, waarin volgens de autoriteiten respectievelijk 1073 gram en 996 gram cocaïne werden aangetroffen.
De verdachte D.C. werd opgespoord en bekende tijdens het onderzoek dat hij de pakketten heeft gepost, maar ontkende te hebben geweten dat er drugs in zaten. Tegenover de kantonrechter verklaarde hij dat hij handelde op verzoek van M.B., die hij omschreef als zijn “oom”. Volgens de verdachte bestond er een vertrouwensband tussen hen.
“Ik kende hem van kleins af aan. Hij had mij gevraagd om iets te posten. Ik vertrouwde hem en stond er niet bij stil dat het om drugs kon gaan,” verklaarde D.C. tijdens de zitting.
De verdachte gaf verder aan dat de dozen al waren ingepakt toen hij ze kreeg en dat hij nooit in de pakketten heeft gekeken. Ook verklaarde hij dat M.B. hem adressen gaf voor verzending naar Nederland. Volgens hem is de man inmiddels spoorloos.
Uit onderzoek van de politie blijkt dat douane- en controleambtenaren de pakketten tijdens een scan controle verdacht vonden. Na nader onderzoek werden in de dozen verborgen pakketten aangetroffen met een sterke geur en korrelige substanties die later positief testten op cocaïne.
De vervolgingsambtenaar stelde dat er voldoende bewijs is om de verdachte te veroordelen. Daarbij werd verwezen naar processen-verbaal van inbeslagname, scheikundige rapporten, verklaringen van de verdachte bij de politie en de rechter-commissaris, evenals zijn verklaring ter terechtzitting.
Het Openbaar Ministerie eiste een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast werd een geldboete van in totaal SRD 7000 geëist, te vervangen door negen maanden hechtenis. Ook vorderde het OM onttrekking van de drugs aan het verkeer en voortzetting van de gevangenhouding.
De verdediging vroeg de kantonrechter echter om vrijspraak. De raadsvrouw voerde aan dat haar cliënt consistent heeft verklaard en niet opzettelijk heeft gehandeld.
Volgens haar was er geen sprake van voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte geen reden had om aan de bedoelingen van zijn familielid te twijfelen. “Er was een directe familieband en een vertrouwensrelatie. Hij heeft onmiddellijk de naam van zijn oom genoemd na zijn aanhouding en heeft volledige medewerking verleend,” aldus de raadsvrouw.
Het Openbaar Ministerie bleef echter bij het standpunt dat de verdachte signalen had moeten herkennen. Volgens de vervolgingsambtenaar waren er voldoende “red flags” die aanleiding hadden moeten geven tot argwaan.
Tijdens zijn laatste woord toonde de verdachte emotie en zei hij spijt te hebben van de situatie. “Ik heb een les geleerd. Ik heb een zoontje van drie jaar oud en ik wil naar huis. Ik wilde altijd uit handen van justitie blijven,” verklaarde hij.
De kantonrechter veroordeelde D.C. uiteindelijk tot een gevangenisstraf van in totaal zeven maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast kreeg hij een geldboete van SRD 1000 opgelegd, te vervangen door tien weken hechtenis.
Tevens werden de inbeslaggenomen drugs onttrokken aan het verkeer en gelastte de kantonrechter de onmiddellijke invrijheidstelling van D.C.